Verzamel wat Nederlandse cv’s en bijna iedereen spreekt minstens 3-4 talen “goed tot zeer goed”. En in Engels is iedereen natuurlijk vloeiend. Overschatten we onszelf een beetje of valt het mee? Hier behandelen we 4 dingen die vaak niet zo goed lopen.

 “Ik spreek Engels/Duits/Frans/Italiaans/…

Het is niet moeilijk om voordelen te verbinden aan de verengelsing van Nederland. We stellen ons internationaal op, handig voor een land dat het moet hebben van de export. Het tweede voordeel ligt er in dat we sterk beoefend raken in de taal en dus relatief aan andere landen de Engelse taal geweldig beheersen.

Is dat wel zo? Als acht van de tien teksten vol met fouten zitten, word je toch een beetje moedeloos. Toch heeft de zelfoverschatting qua Engels al enkele hoogtepunten bereikt.

Wie me niet gelooft, verzamelt maar even een tiental cv’s van naasten. Bij Engelse taalkennis staat er minimaal een ‘’uitstekend/vloeiend’’, en de “goede” kennis van het Frans en Duits daaropvolgend. We spreken namelijk allemaal vier talen.

Toch valt het uiteindelijk allemaal vies tegen. Taalkundige Rik Smits schreef twee jaar geleden nog over de ‘mythische talenkennis’ van de Hollander:

“Maar ook dat Engels bestaat vooral in onze verbeelding, het niveau ervan overstijgt lang niet altijd dat van een automatisch vertaalde Koreaanse gebruiksaanwijzing.”

Als het echt zo vreselijk is allemaal, moet het geen probleem zijn om even te bekijken wat er verkeerd loopt. Ik behandel hier een paar cruciale fouten die vaak worden gemaakt in het Engels van de Nederlander.

Dit wordt geen standaard lijst. Ik wijk liever even af van de meest besproken fouten als ‘then vs than’. Zelfs bij mensen met Engels als moedertaal komen dit soort fouten nog gewoon voor, dus is het handiger om de lijst wat breder te trekken.

 

 1.     Gebrek aan woordenschat

Wat een native speaker onderscheidt van een buitenlander is het vocabulaire. Een gemiddelde Engelsman met een opleiding achter de rug zit tussen de 20.000 en 35.000 woorden. Hier kan je zelf even testen of je in de buurt komt.

Nederlanders hebben vaak de benodigde woordenschat niet, en dat is dodelijk. Dit valt vooral op bij het gebruik van werkwoorden en zelfstandige naamwoorden.  Het zal altijd ‘we are having problems’ blijven in plaats van ‘we have (encountered) issues/hitches/complications/difficulties/obstacles’. Het is juist de taalvariatie die je het middelbare schoolniveau doet ontstijgen.

 

2.     Onnatuurlijk taalgebruik

Vaardigheid in een taal is niet alleen afhankelijk van een toereikend vocabulaire of voldoende grammaticaal inzicht. Taalgevoel is net zo belangrijk, zodat de zinnen niet op een machinevertaling lijken. Vooral als Nederlanders zakelijk moeten typen, krijg je een hele hoop onbruikbare derrie, zoals het volgende fragment:

“Meaning, we are responsible for all costs and risks. Therefore, we pay the supplier in order to arrange the transportation. Besides, xxx will be our insurer. In case the products do not arrive as agreed, we will use the guarantee YFA is offering if possible. Otherwise, we will have to contact our insurer. However, this will take lots of time.”

Het gebruik van structuurwoorden zoals ‘however’, ‘therefore’, ‘besides’, komt je na twee keer al de keel uit in dit fragment. Klopt, het leent zich vooral voor zakelijke teksten, maar daar wordt in dit voorbeeld in doorgeslagen.

 

3. Present-continuous vs simple present

Ik kan niet anders dan punt drie van dit blog (nu offline) quoten, beter kan ik het namelijk niet verwoorden. Het is één van de eerste dingen waar ik aan moet denken bij het Engels van een Nederlander. Met dank aan David Mangene:

The Dutch are in love with ‘ing’. It goes a little something like this, “I am working for the KLM and we are flying all around the world and I am staying at nice hotels and I am eating in good restaurants…” Technically, this sentence isn’t wrong. The ‘ing’ form, a.k.a the present continuous, is indeed English. But we only use it when the action is happening right now, or when it’s temporary. Your profession, your place of residence, these things are more permanent so you’ll want to use the present simple tense: I work for KLM and we fly all over the world and I stay at nice hotels and I eat in good restaurants.

 

4. “Haha, good joke. I will tell that to my wife.”

Vorige week woonde ik drie presentaties bij. Tot mijn verbijstering maakten drie mensen op rij dezelfde fout. Eigenlijk moet ik er blij mee zijn, want het past perfect in deze lijst. De verwarring tussen tell en say komt dus veel voor:

“I will now tell about the problems in Africa”
“Like I told before, we will move on to point two of the agenda”

Allebei fout dus. Het werkwoord to tell moet altijd gevolgd worden door een persoonlijk of bezittelijk voornaamwoord. Bij say hoeft dat niet. De bovenstaande zinnen worden dus:

“I will now tell you about the problems in Africa”
“Like I told you before, we will move on to point two of the agenda”

 

Conclusie

Dit waren ze dan. Oorspronkelijk was het de bedoeling om hier een lopende reeks van te maken, maar dan verval ik te snel in de standaard foutjes die al veelvuldig zijn besproken. Mijns inziens zijn deze punten gewoon erg typerend voor de standaard Nederlander. Let er voortaan op of je dit ook merkt in teksten die je tegenkomt!